Enkele vragen en antwoorden over de financiën van de provincies

Hoe komen de provincies aan het geld voor hun uitgaven?
Provincies krijgen geld van het rijk en hebben daarnaast hun eigen inkomsten. De inkomsten vanuit het rijk worden aan provincies toebedeeld via het provinciefonds en via specifieke uitkeringen. De gelden van het provinciefonds behoren tot de algemene middelen van provincies en zijn daarom in principe vrij besteedbaar. Provincies dienen hiervoor in elk geval wel de wettelijke taken te uit te voeren die door het rijk aan de provincie zijn opgelegd. De specifieke uitkeringen die provincies krijgen van het rijk zijn voor specifieke doeleinden en kunnen alleen aan dat specifiek doel worden uitgegeven.
 
De eigen inkomsten van provincies bestaan uit de opbrengsten van de provinciale belastingen, in de vorm van provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting, en uit opbrengsten uit vermogens en dergelijke. Net als de gelden van het provinciefonds zijn de eigen inkomsten onderdeel van de algemene middelen en dus vrij besteedbaar.
Betaalt de provincie uit de opcenten op de motorrijtuigenbelasting de provinciale wegen?
De opbrengsten van de provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting behoren tot de algemene middelen van de provincies. De provincie is vrij in de besteding, dus alle soorten uitgaven kunnen zij hieruit bekostigen, van natuurbeheer tot het onderhoud van provinciale wegen. Elke provincie stelt zelf het tarief vast van de opcenten.
 
Update februari 2015: De opcenten op de MRB in relatie tot de uitgaven aan verkeer en vervoer
De opcenten op de motorrijtuigenbelasting (MRB) zijn een belangrijke inkomstenbron van de provincies. De MRB wordt door het Rijk geïnd; de provinciale opslag hierop lift mee met de landelijke inning door de Belastingdienst. De provinciale opcenten op de MRB maken – net als de MRB bij het Rijk - onderdeel uit van de algemene middelen van de provincies. In die zin is het een echte belasting, net als de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de BTW bij het Rijk. Voor 2015 worden de totale opbrengsten van de opcenten MRB geraamd op 1.536 miljoen euro (CBS). Naast de opcenten MRB bestaan de algemene middelen van de provincies uit de uitkering uit het provinciefonds (1.029 miljoen euro in 2015) en het rendement op het vermogen (449 miljoen in 2015).
 
De provincies gebruiken de algemene middelen voor de bekostiging van hun kerntaken, waarvan verkeer en vervoer er een is. Voor 2015 wordt aan uitgaven voor verkeer en vervoer (exclusief vaarwegen) 1.797 miljoen euro begroot. Dat is meer dan aan opcenten MRB binnenkomt. Daarnaast worden de inkomsten uit de brede doeluitkering (BDU) verkeer en vervoer geheel aan verkeer en vervoer besteed. In 2015 gaat het om 919 miljoen euro, waarvan het overgrote deel nodig is voor de concessies voor het openbaar vervoer.
Aan wie leggen de provincies (financiële) verantwoording af?
De provincies zijn een zelfstandige bestuurslaag. De colleges van Gedeputeerde Staten leggen in de Jaarrekening en het Jaarverslag verantwoording af aan. Ook de specifieke uitkeringen verantwoorden de colleges in een bijlage van de jaarrekening. Deze gestandaardiseerde bijlage gebruikt de provincie ook voor het afleggen van de verantwoording naar het rijk. Op deze manier verzamelt het rijk de verantwoordingsinformatie slechts één maal. Dit noemt men ook wel single information, single audit (SiSa).

 

Zijn de financiële mogelijkheden voor alle provincies gelijk?
Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en het ministerie van Financiën zijn de beheerders van het Provinciefonds. In 2011 heeft het rijk een structurele korting doorgevoerd van 300 miljoen euro op het provinciefonds, omdat het rijk van mening was dat de provincies voldoende eigen middelen hebben om een groter deel van de taken uit de eigen middelen te bekostigen. Vanaf 2012 is een nieuw verdeelmodel voor het Provinciefonds ingegaan. Dit model houdt, op grond van artikel 7 van de Financiële verhoudingswet, rekening met de onderlinge verschillen in de noodzakelijke uitgaven aan taken en de verschillen in de eigen inkomsten per provincie. Een provincie met een grotere opgave krijgt meer geld om deze opgave uit te voeren. Een provincie met een grotere belastingcapaciteit (meer auto’s) en/of meer inkomsten uit vermogen krijgt minder geld. Hiermee wil het rijk recht doen aan de uitgangspunten van de Financiële verhoudingswet. Deze uitgangspunten houden in dat in gelijke omstandigheden een gelijke financiële uitgangspositie hebben.
 
Hoe komen de provincies aan het vermogen?
Van oudsher hebben de provincies belangen in energiebedrijven, vaak zijn deze zelfs opgericht door de provincie zelf. Later zijn deze provinciale energiebedrijven gefuseerd tot landelijke en zelfs internationaal opererende bedrijven. In de loop der tijd zijn de aandelen van deze energiebedrijven sterk in waarde gestegen. Vanaf 2009 zijn deze deelnemingen grotendeels verkocht. Op papier hebben de provincies, maar ook een heleboel gemeenten, meer vermogen gekregen. Voor de financiële situatie van de provincies is er echter weinig veranderd. In plaats van jaarlijkse inkomsten uit dividend, ontvangen de provincies nu jaarlijks rente op het vermogen.
 
Waar hebben de provincies het vermogen voor nodig?
Een deel van de noodzakelijke uitgaven aan kerntaken moeten de provincies uit de zogenaamde “overige eigen middelen” (OEM)  bekostigen. De verdeelmaatstaf OEM in het nieuwe verdeelmodel provinciefonds wordt samengesteld uit twee onderdelen. Er is een vast deel van 5,48% voor alle provincies, dat wil zeggen er wordt verondersteld dat 5,48% van de uitgaven uit eigen middelen wordt betaald. Voor het variabele deel is gekozen om 35% van de verkoopopbrengsten van de energiebedrijven (situatie in 2016) mee te nemen met een fictief rendement van 3%.
De provincies gebruiken een deel van het vermogen ook voor investeringen en (revolverende) fondsen.
 
Mogen provincies in aandelen beleggen?
Nee, dit mogen provincies niet. Op grond van de Wet Financiering Decentrale Overheden moeten provincies, gemeenten en waterschappen, zoals de wet zegt, ‘prudent’ omgaan met hun vermogen. Dit betekent dat zij geen financiële risico’s mogen lopen en in principe niet mogen beleggen in aandelen. Sinds eind 2013 moeten de provincies zelfs hun tegoeden aanhouden bij het ministerie van Financiën (schatkistbankieren). Doel van het schatkistbankieren is het verlagen van de EMU-schuld van Nederland.