Wat gij niet wilt dat U geschiedt, doet dat ook een ander niet
IPO Zomercolumn: Jop Fackeldey

De overheid is een veelkoppig monster, althans in de ogen van de burger. Als wethouder merk je dat ieder dag. 'Jullie' (of dat nu gemeente, provincie, waterschap of rijk is) hebben… zullen… moeten. En natuurlijk komen die opmerkingen heel vaak daar waar overheid en burger elkaar raken, in het inkomen bijvoorbeeld, of als je als burger wat wilt. Want dan kom je de overheid met al haar wetten, regels, besluiten en vergunningen pas echt in de volle omvang tegen.

En daar gaat het nogal eens mis. Want 'we' leven, werken en denken in een sterk gejuridificeerde  omgeving. En dat is een andere dan de werkelijke wereld en de belevingswereld van de burger of de instelling. Laat staan dat we een brede verzameling loketten hebben waar de burger moet zijn. Een bestuurlijk en juridisch glasheldere taakverdeling tussen de verschillend overheidslagen (nee daarvoor moet u bij… zijn) leidt tot een barre tocht langs de loketten. Die taakverdeling hebben we immers georganiseerd langs de lijnen van onze eigen steeds efficiëntere bedrijfsvoering en niet altijd langs de lijnen van de vraagpatronen van de burger. Dat moet dus anders vonden:'we'.

De kunst is vervolgens om ervoor te zorgen dat wij die burger geen last laten hebben van onze wereld. Het invoeren van de omgevingsvergunning was wat dat betreft al een stap in de goede richting. En natuurlijk zijn er de discussies over dienstverlening in gemeenten het inrichten van klantcontactcentra etc.  En nu komt de omgevingswet er aan. Wauw.

Toch is er iets geks aan de hand. Wat mij betreft is de kern van de omgevingswet dat we het sneller, beter en eenvoudiger voor de burger maken. Zowel voor wat wij noemen de belanghebbende burger als de initiatiefnemende burger. Cruciaal is dat we de inspraak bij nieuwe plannen of initiatieven vóór  besluitvorming goed regelen, dat bij die besluitvorming het individueel belang transparant afgewogen wordt tegen het algemeen belang, dat er één (en dan ook maar één) transparante route is voor bezwaar en beroep en dat uiteindelijk de uitspraak van de hoogste rechter geldt voor het hele plan. Dat kan alleen als we als overheden helder en transparant maken wat er in een gebied wel en niet mag en, als je afwijkt, waarom je dat doet.

Lijkt mij een mooie boodschap. Maar wat communiceren we? Hoeveel wetten er wel niet samengevoegd worden… Hoeveel AMvB’s er wel niet samengevoegd worden, wat een enorme juridische klus het is… dat is waar… in onze wereld. Maar waar is nu die boodschap van het verbeteren van de inspraak en vereenvoudigen – maar ook beperken – van de bezwaarmogelijkheden ?

Die omgevingswet moet ook het probleem van de zoektocht langs het loket oplossen. Wil het werken dan is er één ingang, de eerste overheid, het gemeenteloket. Makkelijker gezegd dan gedaan. Want dat vergt ook dat die overheden achter het loket zich zo organiseren dat dat kan. Dat idee hebben we al heel lang. Thorbecke schreef in 1866: “Decentralisatie, de deelen of leden, op hooger of lager trap, zich, in elk zijn kring, zelve laten regelen en besturen, wordt tegenwoordig te regt de roeping van de staat geacht” Maar ook bij de omgevingswet beroepen we ons soms op het huis van Thorbecke om het belang van iedere laag als zodanig uit te vergroten in plaats van dat we gezamenlijk zoeken naar die eenduidige ruimte van zelf besturen. Een deel van de huidige 26 wetten, 120 AMvB’s en 120 ministeriële regelingen zijn ontstaan uit een soort van geïnstitutionaliseerd wantrouwen. Niet alleen van overheid naar burger (en andersom) maar ook tussen overheidslagen onderling.

De omgevingswet zou dit op moeten ruimen. Een (bijna) willekeurig voorbeeld. Als het gaat om planvorming heeft de provincie een heel scala van mogelijkheden om afstemming te bevorderen en waar nodig het collectief provinciaal belang zwaarder te laten wegen dan het individueel gemeentelijk belang. Daar is niets mis mee. In de nieuwe omgevingswet wordt dat niet anders. In de toetsversie van die wet had de provincie daar een achttal mogelijkheden voor. Dat lijkt toch meer dan voldoende. Ik bedoel in het denken van de omgevingswet zou ik zeggen, regel aan de voorkant daar overleg over, geef één mogelijkheid, één kans op een provinciale uitspraak… En dan niet meer. Dat zou congruent zijn. Maar waar kregen we in het overleg met de minister, waar ik bij mocht zijn, discussie over met de provincies: men hechtte zeer aan nog een negende mogelijkheid… Ja, denk ik dan, dat helpt niet. Als we beweren dat het gaat om eenvoudig beter, als we de burger om die reden – mits aan de voorkant er goede inspraak is – beperken in zijn bezwaarmogelijkheden… Dan zou dat toch zeker moeten gelden voor de wijze waarop overheidslagen zich tot elkaar verhouden.

De omgevingswet gaat over Cultuur. Van een cultuur van controle, zekerheid en systeemdominantie naar een systeem van vertrouwen, bewegingsruimte en transparantie. Dat vraagt wat van onze burgers. Maar dus ook wat van onszelf als overheden. Diezelfde Thorbecke schreef in 1848 “Eene Grondwet schept een goed beleid van regering zoo min, als volksgeest, maar zij kan er de voorwaarden van instellen”. Vrij toegepast 'de omgevingswet in zichzelf zorgt niet voor een verbetering van de processen, maar ze kan er wel de voorwaarden voor creëren'. En dat geldt dan zeker voor de wijze waarop overheidslagen met elkaar omgaan. Wat gij niet wilt dat U geschiedt, doet dat ook een ander niet!

Jop Fackeldey, wethouder Lelystad

----------------------------------------------------------------Over de 'IPO Zomercolumn': In de 'IPO Zomercolumn' wordt vanuit een fris, een nieuw, of ander perspeZON.jpgctief een voor provincies belangrijke dossier belicht. De – speciaal voor deze gelegenheid genodigde –columnist is inhoudelijk betrokken bij en provinciaal begaan met het dossier. Een overzicht van alle bijdragen aan de 2014 ‘IPO Zomercolumn’ treft u aan op de overzichtspagina.