De energietransitie: We moeten het nu gaan waarmaken

30 november 2017

Wat hoopt IPO-bestuurder Ad Meijer de komende jaren te bereiken op het gebied van de energietransitie? “De regionale samenwerking zou een prominente plek moeten krijgen in het toekomstige interbestuurlijk programma om de kansen op gebiedsniveau te kunnen pakken. Het feit dat de gezamenlijke investeringsagenda in Den Haag goed is opgepikt, betekent: Kansen voor verbinding en een gezamenlijke aanpak.”

Ad Meijer (provincie Flevoland) is sinds kort als IPO-bestuurder betrokken bij de energietransitie. Een thema wat steeds meer zijn aandacht trok in de afgelopen jaren dat hij bestuurlijke ervaring opdeed bij diverse decentrale overheden:

“Ik zag de sfeer veranderen. Eerst was er een soort vrijblijvend: er waren groepen mensen die zich bezighielden met duurzaamheid, maar dat aantal was klein. Je ziet nu steeds meer zonnepalen op daken van huizen. Gelukkig is iedereen er zich ook steeds meer van bewust: bedrijven, scholen, woningcorporaties, burgers en ook de politiek. Inmiddels kunnen we er niet meer omheen, we moeten resultaten halen.”

Provincies hebben samen met gemeenten en waterschappen het nieuwe kabinet een aanbod gedaan, in de vorm van de investeringsagenda.
Wat zien we daarvan terug in het regeerakkoord?
“In het regeerakkoord worden de medeoverheden als onmiskenbare schakel erkend voor wat betreft de opgaven rond energie en klimaat. Ik zie dat als een handreiking richting ons gezamenlijke aanbod. De energietransitie komt juist in de regio van de grond door een nauwe samenwerking tussen decentrale overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen. In het regeerakkoord wordt bij die samenwerking erg gefocust op verduurzaming van de gebouwde omgeving. Provincies willen echter een stap verder gaan en komen tot regionale energiestrategieën die ook bijdragen aan de verduurzaming van de industrie, elektriciteits-, agrarische- en mobiliteitssector.”
 
Wat zijn de volgende stappen die nu worden gezet?
“Samen met de koepels (VNG en Unie van Waterschappen) en ministeries stellen we in 100 dagen een Interbestuurlijk Programma samen waarin we afspraken maken over de samenwerking in, onder andere, het energiedossier. Dit zijn belangrijke afspraken, omdat we ons met het aanbod tot het uiterste willen inzetten. Maar daar hebben we wel een aantal minimale randvoorwaarden voor nodig.

Een belangrijke randvoorwaarde vind ik bijvoorbeeld: verbinding en regie op nationaal niveau waarmee we samen programmatisch en adaptief werken aan de energietransitie. Deze verbindende en adaptieve werkwijze zie ik ook graag terug in het maatschappelijk akkoord waar we met Rijk, de VNG, de Unie van Waterschappen, het bedrijfsleven en maatschappelijke partners voor de zomer van 2018 aan gaan werken. De regionale samenwerking zou hier ook een prominente plek in moeten krijgen om de kansen op gebiedsniveau te kunnen pakken. Met deze randvoorwaarden verwacht ik dat we de projecten in de regio kunnen versnellen.

In 2019 gaan we onderhandelen over de doelen voor 2030 in de EU. Dat zal betekenen: veel praten. Maar we zitten in de tussentijd natuurlijk niet stil in de uitvoering. Er gebeurt van alles in de provincies.”

Als we vooruitblikken op de begrotingsbehandeling van het ministerie van EZK: Wat verwacht u daarvan?
“In aanloop naar de begrotingsbehandelingen hebben de provincies, gemeenten en waterschappen een oproep gedaan richting de Tweede Kamer om een aantal praktische maatregelen te nemen die de energietransitie kunnen versnellen. Het betreft onder andere het verruimen van de SDE+subsidieregeling zodat er voldoende investeringsmiddelen zijn voor de projecten die we ontwikkelen. Verder de aanpassing van de Elektriciteitswet waarmee provincies niet meer verplicht zijn een project mogelijk te maken, maar de ruimtelijke en maatschappelijke overwegingen mogen meewegen. Maar ook de harmonisering van regelgeving voor energiebesparing door bedrijven zodat de compliance omhoog gaat en efficiëntie in de handhaving wordt vergroot. Het zijn belangrijke randvoorwaarden als we echt meters willen maken.”
 
Werken we bij de verdere uitwerking van de investeringsagenda ook samen met de VNG en Unie van Waterschappen? En hoe gaat dat dan in de praktijk?
“Het mooie is: ambtelijk en bestuurlijk hebben we elkaar gevonden met de Investeringsagenda. De klimaatopgave kan geen van ons alleen. Dit vergt in de regio, maar ook op nationaal niveau samenwerking. Vanuit onze positie kunnen wij dat, omdat wij dichtbij de burger staan en vanuit ruimtelijk en economisch beleid de verbinding tussen domeinen leggen. Deze samenwerking levert voor de korte termijn concrete projecten en proeftuinen op waarmee we direct CO2 reduceren, maar ook leren voor de toekomst. We leveren een landsdekkende organisatie van regionale energie- en klimaat strategieën waarmee voor 2021 gebiedsgerichte strategieën en uitvoeringsprogramma’s voor de klimaat en energie opgave (gebouwde omgeving, kracht & licht, industrie, mobiliteit en voedsel en natuur) worden opgeleverd. Dit kunnen we alleen door regionaal en nationaal samen te werken.”
 
Hoe zijn de individuele provincies betrokken bij dit verdere traject?
“De inzet is gebouwd vanuit de provinciale praktijk. Zo trekken we samen op waar dat slagkracht vergroot, maar houden we ruimte voor maatwerk per provincie. Energietransitie vraagt een stevige organisatie waarin regionale strategieën onderling vergelijkbaar zijn en verbonden kunnen worden op nationaal niveau. De dynamiek in de provincie vraagt echter soms een ander tempo en andere samenwerkingsverbanden.

Die ruimte bieden we.”  

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de toekomst voor de provincies op gebied van duurzame energie?
“We hebben het gezamenlijke aanbod gedaan, het is nu zaak om het waar te maken. Als het Rijk de goede randvoorwaarden creëert, heb ik daar alle vertrouwen in. Er lopen trouwens al heel veel mooie projecten in de provincies. Daarnaast vind ik maatschappelijke acceptatie bij de bevolking een belangrijk aandachtspunt. De energietransitie is nadrukkelijk niet alleen een technische opgave maar ook een sociaal maatschappelijke. Iedereen gaat het merken in het landschap, in zijn werk en mogelijk in de portemonnee. Dat is niet alleen een uitdaging voor provincies, maar voor alle betrokken partijen.”

Gerelateerde berichten

Het interbestuurlijk programma: wanneer, waarom en hoe?

11 december 2017 - De totstandkoming van het Interbestuurlijk Programma … het zal toch niet zo lang duren als de formatie van afgelopen zomer? Iedereen is nieuwsgierig: Met wie wordt er gesproken? Waarover? En wat wordt het resultaat? Michiel Koetsier (provincie Gelderland) is ‘ingevlogen’ om invulling te geven aan het programma, samen met een zogenaamde kopgroep: “We zijn nog zoekende, maar er is een duidelijk doel: een set heldere spelregels voor onderlinge samenwerking tussen de departementen, gemeenten, waterschappen en provincies. Vertrekpunt is het besef dat belangrijke maatschappelijke opgaven niet door één overheid kunnen worden opgelost. In de gezamenlijke aanpak zijn wederzijdse afhankelijkheid, gelijkwaardigheid, partnerschap en gedeelde verantwoordelijkheid sleutelwoorden.”
Lees meer

Harold van de Velde voorgedragen als voorzitter Statenlidnu

08 december 2017 - De selectiecommissie die in opdracht van het bestuur van Statenlidnu de voordracht voor het nieuwe bestuur heeft opgesteld, draagt het Zeeuwse statenlid Harold van de Velde (SGP) voor als nieuwe voorzitter van Statenlidnu. Tijdens de Algemene Ledenvergadering op 15 december is de verkiezing van het nieuwe bestuur.
Lees meer

Modernisering verkiezingsproces vraagt om grondige aanpak

23 november 2017 - De organisatie en financiering van de verkiezingen moeten grondig tegen het licht worden gehouden. Dat schrijven IPO, VNG en de Unie van Waterschappen in een brief aan minister Kajsa Ollongren van Binnenlandse Zaken. De decentrale overheden willen dat het verkiezingsproces zoveel mogelijk wordt gedigitaliseerd.
Lees meer