Overheden kunnen bij uitstek het instrument van wetten en regels inzetten om energieprojecten te stimuleren of af te dwingen. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de nationale, provinciale en gemeentelijke wetgevers. De mogelijkheden om dit instrument in te zetten hangt sterk samen met een aantal zoals de aard van de projecten en de wettelijke bevoegdheden. Overheden kunnen alleen wetten en regels inzetten als deze taak wettelijk is verankerd. Bovendien kan alleen gebruik worden gemaakt van de criteria die aan de wettelijke bevoegdheden zijn gekoppeld.
Een groot deel van de wetgevende bevoegdheid ligt bij het rijk, zoals fiscale wetgeving of de Europese wetgever, zoals productnormering. De provincies kunnen in die gevallen via een lobby proberen om het rijk of de Europese wetgever te overtuigen wetten en regels aan te passen. De provincies bevinden zich in een goede positie om deze rol op te pakken. De provincies hebben immers goed zicht op de obstakels die er bij interlokale energieprojecten spelen. Aan de andere kant hebben provincies een goede ingang bij het rijk.
Provincies kunnen ook direct wetten en regels inzetten. De provincie bezit namelijk over belangrijke juridische competenties op het gebied van onder meer natuur en ruimtelijke ordening. Deze wetten en regels kunnen provincies eigenhandig inzetten of in de toezichtfunctie op gemeenten. Provincies kunnen hier in samenwerking met gemeenten het verschil maken als het gaat om bijvoorbeeld wind op land of ruimte voor mestvergisting.